Verpleeghuizen houden deuren dicht ondanks wettelijk recht op vrijheid voor dementerenden

Mensen met dementie hebben wettelijk het recht om vrijelijk naar buiten te gaan. Toch houden veel Nederlandse verpleeghuizen en zorginstellingen hun deuren nog altijd op slot. Dat blijkt uit een rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die het afgelopen jaar een steekproef hield onder 35 verpleeghuizen en in totaal 113 zorginstellingen bezocht, waaronder afdelingen in de ggz, jeugdzorg en gehandicaptenzorg.

De wet bestaat al zes jaar — en wordt nog steeds niet nageleefd

De Wet zorg en dwang, die in 2020 inging, bepaalt dat beperkingen van de bewegingsvrijheid alleen zijn toegestaan als iemand een aantoonbaar gevaar vormt voor zichzelf of anderen. Het uitgangspunt is vrijheid; beperking is de uitzondering. Instellingen kregen vanwege de coronapandemie uitstel van invoering, maar ook jaren daarna bleef de naleving achter. In 2024 riep de IGJ al op tot actie. Nu, in 2026, constateert de inspectie dat er nog altijd weinig veranderd is.

De inspectie legt vooralsnog geen boetes op. De aanpak is gericht op leren en verbeteren, maar de IGJ trekt wel een duidelijke grens: “Zo’n les kan niet zijn dat alle deuren weer op slot gaan.”

Angst voor ongelukken domineert

De voornaamste reden die instellingen opgeven voor het gesloten houden van deuren is angst: angst dat bewoners verdwalen, de weg niet meer terugvinden, of in gevaarlijke situaties belanden. Die angst wordt gevoed door incidenten die de afgelopen winter landelijk aandacht kregen — in Soest, Harderwijk en Zevenaar kwamen bewoners met dementie om het leven nadat zij naar buiten waren gegaan in vrieskou.

De IGJ erkent dat deze gevallen aangrijpend zijn, maar stelt dat zij zeldzaam zijn en niet als rechtvaardiging mogen dienen voor een structureel gesloten beleid. “Vrijheid en kwaliteit van leven wegen zwaarder dan absolute veiligheid, ook voor kwetsbare groepen,” aldus de inspectie.

Andere redenen die instellingen noemen zijn bouwkundige obstakels en onveilige verkeerssituaties direct buiten de instelling. Aanpassingen kosten geld, en bezuinigingen maken dat lastig. Ook hier heeft de IGJ weinig begrip voor: beperkingen moeten per persoon worden beoordeeld en mogen niet als standaardbeleid worden toegepast.

Familieleden kiezen vaak voor veiligheid

Een complicerende factor is de rol van familieleden. Zij treden formeel op als vertegenwoordiger van de bewoner, maar hebben niet het laatste woord over vrijheidsbeperkingen. In de praktijk geven veel familieleden de voorkeur aan veiligheid boven vrijheid — een begrijpelijke keuze, maar één die soms haaks staat op de wettelijke rechten van de bewoner zelf.

Verzorgenden bevinden zich in een lastige positie: zij voelen een sterke verantwoordelijkheid voor het welzijn van bewoners én moeten verantwoording afleggen aan families als er iets misgaat. Het personeelstekort maakt maatwerk bovendien moeilijk: individuele begeleiding bij buitengaan kost tijd die er niet altijd is.

Vrijheid als uitgangspunt, niet als uitzondering

Gezondheidsjurist Brenda Frederiks van Amsterdam UMC wijst op een fundamentele denkfout in de manier waarop veel instellingen de wet toepassen. “Bewoners mogen niet naar buiten, tenzij het veilig wordt geacht. Dat moet juist andersom zijn. Iedereen mag naar buiten, tenzij er een duidelijke reden is om dat te beperken. Het gaat hier om mensenrechten.”

Frederiks nuanceert ook de aannames die over mensen met dementie bestaan. Slechts een klein deel van de bewoners loopt daadwerkelijk weg; de meesten blijven in de directe omgeving — bij de voordeur of op een bankje dichtbij. De perceptie van risico is groter dan het werkelijke risico.

Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden onderschrijft het vrijheidsprincipe van de wet, maar vraagt ook aandacht voor de uitvoerbaarheid. Volgens de vereniging is de wet moeilijk toepasbaar in de dagelijkse praktijk en is de emotionele impact voor zorgprofessionals groot als er toch iets misgaat.

Vitale tuinen en technologie als tussenweg

Sommige instellingen zoeken naar creatieve oplossingen. Technologie speelt daarin een groeiende rol: camera’s met gezichtsherkenning of persoonlijke polsbandjes die deuren selectief openen voor bepaalde bewoners bieden mogelijkheden voor gedifferentieerd beleid — de een mag naar buiten, de ander niet, op basis van individuele risico-inschatting.

Psycholoog en onderzoeker Melanie van der Velde, die promoveerde op zogenoemde vitale tuinen bij zorginstellingen, benadrukt de gezondheidswinst van buiten zijn. “Het gaat over de kwaliteit van bestaan. Voor sommige mensen is naar buiten gaan iets om voor wakker te worden.” Zij wijst ook op een paradox in het veiligheidsdenken: een bewoner die altijd binnen is opgesloten, kan daardoor gespannen of agressief raken — wat zichzelf en anderen juist in gevaar brengt.

Van der Velde ziet wel degelijk goede voorbeelden, maar benoemt de uitdagingen: niet alleen de tuin zelf moet geschikt zijn, ook de toegangsroute ertoe. En het allerbelangrijkste, zegt ze, is training van het zorgteam.

Cultuuromslag nodig

De conclusie van zowel de IGJ als de geraadpleegde experts is eensluidend: er is een fundamentele cultuuromslag nodig in de manier waarop zorginstellingen omgaan met vrijheid en veiligheid. Die omslag gaat langzaam, erkent Frederiks. Zolang veiligheid als absolute norm geldt en vrijheid als risico wordt gezien, blijven deuren dicht — ook als de wet het anders voorschrijft.

Voor een vergrijzend Nederland, waar het aantal mensen met dementie de komende decennia sterk zal toenemen, is dit een urgente kwestie. Niet alleen voor de betrokkenen zelf, maar ook voor de manier waarop de samenleving omgaat met autonomie en menselijkheid in de laatste levensfase.

← Terug naar overzicht